PAPEGAAIDUIKERS

dit werkstuk is online gezet door de Werkstuk Pagina

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Martijn Ham

B1H

01-01-`01

 

 

 

PAPEGAAIDUIKERS

 

Inhoud:

Hoofdstuk 1: Inleiding

Hoofdstuk 2: Algemeen

Hoofdstuk 3: Kenmerken

Hoofdstuk 4: Andere soorten

Hoofdstuk 5: Milieu

Hoofdstuk 6: Voedsel

Hoofdstuk 7: De paring

Hoofdstuk 8: #9; Vijanden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1: Inleiding

 

Van mijn docent moest ik een werkstuk gaan maken. Van tevoren zijn we al naar diergaarde Blijdorp geweest om meer te weten te komen over hoe een dier is opgebouwd. Dus of hij bijvoorbeeld poten heeft of een staart en of hij veren heeft enz.. In Blijdorp kregen wij ook een vragenlijst over het Oceanium. Helemaal aan het begin van het Oceanium zijn de papegaaiduikers te zien in het Bass Rock. Ik vond het leuke beesten en wilde er wat meer over weten.

Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik op de site van diergaarde Blijdorp en nog andere sites mooie plaatjes en teksten kon vinden. Ook op Encarta kon ik een mooie tekst vinden.

 

Een andere reden waarom ik dit diertje heb gekozen is dat mijn ouders een keer op vakantie zijn geweest op IJsland. Daar hebben zij hele grote groepen papegaaiduikers gezien en waren daar behoorlijk van onder de indruk. Zij hebben er vaak over verteld en veel dia’s vertoond.

VLAG IJSLAND

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2: Algemeen

 

Alle belangrijke gegevens van deze vogel heb ik staan in de onderstaande tabel.

 

 

 

PAPEGAAIDUIKER

Naam:

Fratercula arctica

Familie:

Alcidae

Orde:

Charadriiformes

Herkenning:

Klein, zwart-wit verenkleed, grote driehoekige snavel, zwemvliezen

Vleugelspanning:

47-62 cm

Gewicht:

305-675 gram

Woongebied:

Noordatlantisch gebied

Biotoop:

Rotskusten en volle zee

Voedingsgewoonte:

Hoofdzakelijk viseter

Sociale structuur:

Kolonievogel, monogaam

Geslachtsrijp:

Meestal na 5 jaar

Broedtijd:

Van eind maart tot begin september

Broedduur:

39 dagen

Gewicht ei:

gemiddeld 62 gram

Aantal jongen per broedsel:

1

Maximumleeftijd:

21 jaar (geregistreerd record)

Aantal, tendens:

Enkele miljoenen; aantal stabiel

Status, bescherming:

Beschermde soort; mag plaatselijk gevangen worden

 

 

 

 

Hoofdstuk 3: Kenmerken

 

De papegaaiduiker is zo genoemd omdat hij een wonderlijke, hoge, in de broedtijd bontgekleurde snavel heeft. Hij lijkt ook veel op een pinguïn door zijn gewaggel en hij heeft hetzelfde deftige, zwart-witte verenpak. Papegaaiduikers maken deel uit van de vaak dichtbevolkte broedkolonies op de vogelrotsen in het Noordatlantische gebied.

Ogen
In het voorjaar vertoont de geslachtrijpe papegaaiduiker donker gekleurde, verharde uitgroeisels, waarvan er zich één boven en één onder het oog bevindt. Het oog is rood omrand en beschikt over een derde ooglid, het knipvlies, dat doorzichtig is. Dit opent en sluit zich van voor naar achter in een horizontaal vlak. Het vlies heeft als taak het oog tijdens het duiken te beschermen.

 

 

 

Snavel
Vlak voordat de baltsperiode aanbreekt, wordt de snavel bedekt met een verharde schede. De mooie kleuren hiervan zijn belangrijke seksuele signalen. In de herfst raakt de verharde schede los en valt af. De snavel is dan veel kleiner, maar vertoont nog wel dezelfde, zij het veel valere, kleurtekening.

Poten
De papegaaiduiker heeft slechts drie tenen, die door zwemvliezen met elkaar zijn verbonden. Ze eindigen in korte, gebogen, sterke nagels, die dienen om te graven. In de lucht helpen de zwemvliezen de staart, zodat de vogel meer weerstand heeft . Bij het afremmen spreidt de vogel zijn poten uit om weerstand te bieden aan de lucht. Onder water hebben de poten geen taak bij de voortbeweging, die aan de vleugels wordt overgelaten, maar dienen ze om mee te sturen.

Hoofdstuk 4: Andere soorten


De papegaaiduiker is in de orde van de Charadriiformes ondergebracht, tezamen met vogels die er totaal anders uitzien, zoals steltlopers (wulpen, snippen en kieviten) en met andere zwemvogels als jagers, meeuwen en sternen.
De familie Alkachtigen telt 22 soorten, waarvan een twaalftal soorten alken het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan bewoont. De alkachtigen zijn middelgrote tot kleine vogels van het noordelijk halfrond, met een eenvoudig, vaak zwart met wit verenkleed, dat afhankelijk van het seizoen veranderlijk is. Het zijn uitstekende duikers, die zich met vis of plankton voeden. Het merendeel kan goed met elkaar opschieten en ze leven dus in een groep.

Hier staan een paar andere soorten:

KLEINE ALK
Herkenning: kop en snavel zwart, rug zwart met witte strepen, buik wit.
Lengte: 20-25cm
Verspreiding: Noordpoolgebied.

ALK
Herkenning: kop en rug zwart, forse snavel met witte strepen.
Lengte: 40-45cm
Vleugelspanning: 63-66cm
Verspreiding: Noordelijke Atlantische Oceaan zuidelijk tot Bretagne en in Oostzee

ZWARTE ZEEKOET
Herkenning: zwart, twee grote, witte vlekken op de vleugels, rode poten.
Lengte:30-36cm
Verspreiding: Noordelijke Atlantische Oceaan en Oostzee; bij ons dwaalgast.

 

Hoofdstuk 5: Milieu

De papegaaiduiker bewoont het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee, van de Canadese kust tot Nova-Zembla. In de voortplantingstijd wordt er zuidwaarts tot in Bretagne gebroed. In de winter kan de soort echter de 25ste breedtegraad bereiken. Of de papegaaiduiker nu op het land voor nageslacht zorgt of zich in volle zee bevindt, zijn aanwezigheid wordt bepaald door het in voldoende mate aanwezig zijn van vissen van een bepaald formaat. Omstandigheden zal zeestromingen, watertemperatuur en de rijkdom aan plankton spelen dus indirect een rol bij de verspreiding van de papegaaiduiker.

De zee is zijn domein
Zoals alle alkachtigen verdeelt de papegaaiduiker zijn bestaan over twee leefmilieus die enorm van elkaar verschillen, maar tegelijkertijd elkaar aanvullen, namelijk de zee en de rotskust. Het grootste deel van de tijd wordt op zee doorgebracht: het volwassen dier verblijft er 7 maanden per jaar, zonder ooit de vaste wal op te zoeken.
http://www1.bos.nl/~dvuijk/birds/auks/Fratercula-arctica/znl-fratercula_arctica.html/trechts

http://www1.bos.nl/~dvuijk/birds/auks/Fratercula-arctica/znl-fratercula_arctica.html/trechts


Gedurende de 5 andere maanden brengt hij nog het grootste deel van zijn tijd op de oceaan door, hetzij met rusten, hetzij met het vangen van voedsel voor zichzelf of voor zijn jong. De papegaaiduiker is zó afhankelijk van het zeemilieu, dat hij slechts bij uitzondering in het binnenland wordt aangetroffen. Het betreft dan meestal vogels die in noodweer verdwaalt zijn geraakt. Vooral in de herfst worden ze soms door zware stormen landinwaarts gedreven. Deze ongelukkige vogels zijn vrijwel ten dode opgeschreven, omdat ze half verhongerd en geheel van slag zijn door hun avontuur.

 

Broedplaats met zorg gekozen
Het vasteland is niet alleen onmisbaar voor de voortplanting, maar speelt ook een fundamentele rol in andere levensfasen van de soort. De broedplaatsen worden op de rotskust
ingenomen, in de buurt van rijke visgronden die het voedsel van de jongen kunnen leveren. Ook is het van belang dat de broedplaatsen aan de zeezijde liggen, zodat de rust- en visgebieden snel kunnen worden bereikt. Daarom vestigen kolonies zich ook zelden diep in een zeearm of indien er op een eiland wordt gebroed, aan de kustzijde die is afgekeerd van open zee.
Niet alle kustsoorten zijn voor deze vogelsoort geschikt. Zo biedt een laag zandstrand geen enkele vestigingsmogelijkheid voor de papegaaiduiker. Het liefste heeft hij steile rotskust, van welke hoogte dan ook. De aanwezigheid op de steile rots van een laag zachte grond, waarin het paar zijn hol kan uitgraven, is een zeer belangrijk element. Deze aardlagen zijn zelfs van een afstand gemakkelijk te herkennen, namelijk aan de mate waarin ze bedekt zijn met kort, dicht, lichtgroen gras, dat kenmerkend is voor de rotskusten op gemiddelde en hoge breedte. Deze grasmat is ecologisch van grote waarde, want hij voorkomt erosie van de relatief dunne aardlagen waarin de papegaaiduiker, maar ook andere zeevogels, hun broedholen graven. De planten waaruit de mat bestaat zijn aangepast aan de bijzondere omstandigheden die in de directe zee heersen. Ze zijn bestand tegen de met zoutdeeltjes beladen, opspattende branding, hebben een dicht wortelgestel waarmee ze stevig in de grond zitten en ze blijven laag, waardoor de vaak krachtige wind geen vat op hen heeft.
Waar de rotsen niet door een dergelijke aardlaag wordt bedekt, maakt de papegaaiduiker zijn nest op de bodem van een natuurlijke holte of in een ruimte die ontstaan is door een opeenstapeling van rotsblokken.

Gevleugelde rovers
De papegaaiduiker voedt zich met talrijke vissoorten, waardoor hij een bijdrage levert aan de beperking van de vispopulatie. Hierdoor wordt het opraken van het plankton vermeden, waardoor het biologisch evenwicht in de oceaan zou worden verstoord.
Doordat de papegaaiduiker in kolonies van duizenden vogels broedt, is hij een gemakkelijk doelwit voor rovers. De volwassen vogel heeft echter weinig te vrezen: de roofdieren richten hun aandacht bij voorkeur op door ziekte of verwonding verzwakte vogels en vooral ook op de jongen. Deze laatste stellen zich aan het eind van hun verblijf in het nest aan aanvallen bloot., doordat ze dan de gewoonte hebben in de ingang van het hol de voedsel aanslepende ouders op te wachten. Ze vormen dan een gemakkelijk doelwit voor gevleugelde rovers als de grote mantelmeeuw en de grote jager. Met een vleugelspanning van 1,50 meter en een sterke, kromme snavel zijn deze behendige vliegers een gevaar voor papegaaiduikers van alle leeftijden.

Hoofdstuk 6: Voedsel

 

De papegaaiduiker voedt zich in de eerste plaats met visjes. Deze vangt hij vlak onder het wateroppervlak of op geringe diepte. De vogel kan zich onder water verplaatsen en dan een afstand van een meter of vijftig afleggen. Hij blijft 5-10 seconden onder water, waarin hij geen adem haalt. In één duik vangt hij diverse visjes. Schaaldieren worden op grotere diepten gevangen, maar uit onderzoek door de ornithologen Harris en Hislop blijkt, dat de papegaaiduiker toch nooit dieper duikt dan 15 meter.

Visetende vogelsoort
Het is niet zo goed bekend wat de volwassen vogels in de broedtijd eten en men weet al helemaal niet wat ze in de wintertijd nuttigen. Wel wordt verondersteld dat ze tijdens de overwintering meer schaaldieren eten dan 's zomers.
De vissen, die het belangrijkste deel van het voedsel uitmaken, behoren tot de talrijk voorkomende soorten: smelt ,haring, sprot, dwergbolk, makreel, wijting, koolvis, pollak, kabeljauw en schelvis. Tot de minder algemene prooidieren behoren de zeestekelbaars en de kleine pieterman. Het voedsel wordt opgevuld met schaaldieren, zoals garnalen en wormen.

Kleine prooi
De keuze van prooidieren van de papegaaiduiker wordt deels bepaald door het formaat van de vogel, dat ongeveer met dat van een duif overeenkomt. Hij kan in feite alleen maar vissen van bescheiden afmetingen naar binnen werken: wijtingen van 3-4 cm, smelten van 4-12 cm en sprotten van 4-7 cm. De grootste prooi die de ornithologen Harris en Hislop hebben waargenomen, was een smelt van 20,7 cm. Wat de prooikeuze het meest bepaalt, is echter niet de lengte ervan, maar de dikte. De Nederlandse ornithologen Swennen en Duiven stelden vast dat een papegaaiduiker een vis van maximaal 2,3 cm dikte kon inslikken.
Wanneer een volwassen papegaaiduiker zijn jongen grootbrengt, voert hij bij elke voedselvlucht 5-10 visjes aan, die hij dwars in de snavel houdt. Als het om visbroed gaat, dus hele kleine visjes, kan dit aantal veel groter zijn. Men heeft in één snavel weleens 61 visjes geteld. Het voedselpatroon van de papegaaiduiker varieert aanzienlijk met de leeftijd van de vogel. Maar de relatieve talrijkheid van de verschillende beschikbare vissoorten is afhankelijk van sterke jaarlijkse en lokale schommelingen en wordt vooral bepaald door het seizoen en de geografische ligging van het gebeid dat door de kolonie wordt bewoond.

Het duiken
Onder water beweegt de papegaaiduiker zich voort door krachtige slagen met de korte, rechte vleugels te maken. Deze zijn uitgerust met stijve slagpennen en hebben de juiste vorm voor dit soort krachtsinspanning. Bij deze 'onderwatervlucht' wordt een snelheid van soms meer dan 20 km per uur bereikt. Hoewel de poten voorzien zijn van zwemvliezen, worden ze niet gebruikt voor de voortstuwing, maar om mee te sturen. Doordat de veren tegen het lichaam wordt gedrukt, is de stroomlijn van de vogel perfect.

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 7: De paring

 

In maart of april krijgt de snavel zijn pronkkleuren. De papegaaiduikers verlaten dan hun wintergebieden in volle zee en zoeken de kust en de broedgebieden op. Daar aangekomen gaan ze niet direct aan land, maar blijven ze op zee - overdag dicht bij de kust, 's nachts verder weg. Ze zwemmen dan in gesloten formatie, zonder echter onderling contact te leggen.
Ongeveer een week na hun aankomst raken de papegaaiduikers in toenemende mate opgewonden. Ze vliegen op en cirkelen boven het wateroppervlak rond, waarbij ze elke keer iets dichter bij het land komen. Op zeker moment strijken ze neer, om na enkele ogenblikken weer op te vliegen. Elke keer na het neerstrijken blijven ze iets langer zitten, totdat ze ten slotte gewend zijn.

Snavelhauwen tijdens balts
Voordat de vogels zich definitief op het land vestigen, heeft de paarvorming al plaatsgevonden of, wanneer het om broedparen gaat die zich het vorige jaar reeds hadden gevormd, zijn de banden weer stevig achterhaald. Hoe de ceremonie van de vorming van een nieuw paar gaat weet men niet precies. Het mannetje trekt de aandacht van het vrouwtje door snelle, knikkende bewegingen met de kop. Soms houdt hij dit wel 10 minuten achtereen vol. Elke knik gaat gewoonlijk gepaard met hees gegrom. Vervolgens draaien de partners om elkaar heen, waarbij ze met zijdelingse bewegingen van de kop met de snavel langs elkaar heen wrijven of elkaar ermee slaan. Het gebeurt soms dat het vrouwtje door de harde klappen van het mannetje haar evenwicht verliest en van de helling rolt.
Als het paar zich heeft gevormd, blijven het mannetje en het vrouwtje elkaar trouw. Het is echter niet bekend of ze ook 's winters bij elkaar blijven
.

De paring
Hoewel het baltsvertoon zich op het land kan afspelen, vindt de werkelijke paring op zee plaats. Het mannetje jaagt concurrenten bij zijn vrouwtje weg. Dit toont haar paarbereidheid door met opgerichte kop haar achterlijf onder water te laten zakken.
De paring duurt slechts kort, gemiddeld 5 seconden en wordt dikwijls herhaald. Erna poedelen de vogels in het water rond, slaan met hun vleugels en doen net alsof ze hun veren poetsen. Soms nadert het mannetje ook andere, meestal ongepaarde, vrouwtjes. Het vrouwtje duikt soms onder water om aan de avances van het mannetje te ontsnappen of een einde te maken aan de paring.
http://www1.bos.nl/~dvuijk/birds/auks/Fratercula-arctica/znl-fratercula_arctica.html/trechts

 

Hoofdstuk 8: Vijanden

De enige natuurlijke vijanden van een papegaaiduiker zijn: de mantelmeeuw, de grote jager en de poolvos. Deze drie vijanden van de papegaaiduiker jagen meestal op jonge of zwakke, zieke papegaaiduikers.De papegaaiduikers leven in groepen van soms wel duizend en zijn dus makkelijk te vangen voor de vijanden.

De mens is ook een vijand van de papegaaiduiker. De laatste jaren jagen ze bijna niet meer op de papegaaiduiker, omdat ze meestal op de papegaaiduikers gingen jagen die bij de bevolkte gebieden leefden zoals in Bretagne in Frankrijk. Daar in Bretagne leven minder papegaaiduikers dan in bijvoorbeeld IJsland en sterven de papegaaiduikers eerder uit en dat is zonde. Maar in IJsland staat papegaaiduiker nog steeds op het menu van de restaurants.

Als er in een jaar te veel mensen gaan vissen, hebben de papegaaiduikers een probleem. Want dan hebben zij te weinig vis.

 

Bronnen

 

    1. Smits G, Biologie voor jou, Malmberg, Den Bosch
    2. Diergaarde Blijdorp
    3. Blijdorp Communicatie, Blijdorp blad, Rotterdam
    4. Reader ’s Digest/ANWB, Het beste vogelboek
    5. Karel Stastny, De grote encyclopedie der vogels,
    6. Rebo Productions

    7. Barbara Taylor, Sesam Junior, Atlas van de vogels,
    8. Bosch &Keuning

    9. Nicholas Hammond, Spectrum Natuurgids,
    10. Vogels in West-Europa, Het Spectrum

    11. Encarta 99 encyclopedie, Winkler Prins Editie, cd-rom
    12. http://groen.nl.fortunecity.com, Internet
    13. http://mbgnet.mobot.org, Internet