|
|


Werkstuk “Leonardo da
Vinci”
Bas Machiels
O.B.S De Driepas
17 februari 2003
Inleiding

Mijn
tweede werkstuk dit schooljaar gaat over Leonardo da Vinci (zie plaatje). Ik
heb dit onderwerp gekozen omdat Leo-nardo da Vinci een heel bijzonder mens
was. Hij was superslim, heel nieuws-gierig en leergierig en hij wilde alles
heel erg goed doen. Zijn hele leven lang bleef hij leren. Hij dacht over van
alles heel diep na en wilde precies weten hoe iets zat.
Leonardo
da Vinci had heel veel beroe-pen. Eigenlijk
was hij dus een soort dui-zendpoot. Hij
wordt ook wel een “uomo universalis” genoemd; dat betekent “een man van
de wereld”, een man die dus zelf alles kan.
Bovendien was Leonardo zijn tijd ver vooruit. Veel van zijn ideeën en plannen vond men in Leonardo’s
tijd maar onzin. Nu ontdekt men dat veel van die ontwerpen eigenlijk heel goed
klopten, bijvoorbeeld zijn tekeningen van vliegtuigen.
De meeste mensen kennen Leonardo da Vinci alleen maar als schilder.
Zijn meest bekende schilderij is de “Mona Lisa”.
In mijn werkstuk wil ik laten zien dat Leonardo dus veel meer kon dan
alleen maar schilderen.
In
dit werkstuk zal eerst iets verteld worden over Leonardo’s levensloop. Dit
hoofd-stuk beschrijft het leven van Leonardo vanaf zijn kinderjaren in Vinci
tot aan zijn dood in Amboise. Het
tweede hoofdstuk gaat over Leonardo als kunstenaar. Daar zal niet alleen iets verteld worden over Leonardo als
schilder, maar ook over Leonar-do als beeldhouwer en als schrijver.
Over
de vele andere beroepen van Leonardo wordt in het volgende hoofdstuk ver-teld,
namelijk Leonardo als wetenschapper. Het
werkstuk wordt afgesloten met mijn eigen mening over Leonardo da Vinci.
Daarbij zal ik eerst proberen uit te leggen wat Leonardo da Vinci
betekend heeft in zijn eigen tijd en wat hij tegenwoordig betekent.
Tenslotte volgt nog een lijst van bronnen die ik gebruikt heb voor dit
werkstuk.
Levensloop van Leonardo
da Vinci
1. Leonardo als kind
Leonardo da
Vinci werd geboren op 15 april 1452 in Anchiano, een klein dorpje in de buurt
van de stad Vinci in Italië (zie plaatje). De achternaam “da Vinci” komt
van die plaats en betekent “afkomstig uit Vinci”.
Leonardo
was de zoon van ser Pietro da Vinci, een notaris die rijk was en veel land
bezat. Van Leonardo’s moeder is
weinig bekend. Ze heette waarschijnlijk Caterina en men denkt dat ze een
boerendochter was of in een herberg werkte.
Volgens een onderzoek dat pas in de krant stond was ze misschien zelfs
een Russische slavin.
De ouders
van Leonardo waren niet ge-trouwd. Hij
was dus een bastaard. In die tijd
was dat heel normaal.

De
vader van Leonardo gaf toe dat Leonardo zijn zoon was en hij was ook bij de
doop van Leonardo. Leonardo
woonde eerst bij een boerenfamilie, maar vanaf zijn vijfde ging hij bij zijn
vader wonen. Zijn vader was toen
getrouwd met de 16-jarige Albiera Amadori.
Zij kregen geen kinderen en daarom was Leonardo voor Albiera net een
echte zoon. Albiera stierf heel
jong. Dat was voor Leonardo een
verschrik-kelijke gebeurtenis. Na
haar dood verhuisde Leonardo met zijn vader naar Florence (oftewel Firenze).
Zijn vader trouwde na de dood van Leonardo’s stiefmoeder nog drie
keer en kreeg in totaal 12 kinderen.
Als
zoon van een notaris kreeg Leonardo een goede opvoeding.
Hij leerde rekenen, schrijven, lezen en een beetje Latijn.
Latijn vond hij heel moeilijk. Daardoor
had hij later problemen met het begrijpen van belangrijke boeken die in het
Latijn geschre-ven waren.
In
die tijd maakte Leonardo iets mee. Hij ontdekte eens een geheimzinnige grot.
Leonardo was wel bang, maar hij was zo nieuwsgierig wat er in die grot zou
zijn dat hij toch naar binnen ging. Hij wilde per se weten wat er te vinden
was. Later dacht Leonardo dat die gebeurtenis iets betekende.
Hij wilde namelijk altijd alles graag weten en begrijpen, net zoals met
die grot. Hij wilde steeds nieuwe dingen ontdek-ken, waardoor hij vaak aan
nieuwe dingen begon maar die hij meestal niet afmaak-te.
2. Leonardo als jongeman
Leonardo en
zijn vader konden niet erg goed met elkaar opschieten. Zijn vader zag wel dat Leonardo veel talent had.
Daarom mocht Leonardo toen hij 15 jaar was leer-ling worden van Andrea
del Verrocchio. Dat was een
beroemde schilder, beeldhou-wer en goudsmid.
Leonardo leerde heel veel van zijn meester. Daarom
mocht hij na zes jaar lid worden van het gilde van de schilders, het
Lucasgilde. Leonardo en An-drea
del Verrocchio waren dikke vrienden. Daarom
bleef Leonardo bij hem wonen, ook toen hij al een echte schilder was.
Door Andrea
del Verrocchio leerde Leonardo veel verschillende mensen in Florence kennen.
Daardoor kreeg hij allerlei nieuwe ideeën.
Zo bedacht hij een plan om de rivier de Arno te veranderen in een soort
kanaal waardoor je dan van Pisa naar Flo-rence kon varen.
Ook ontwierp hij een soort molen om koren te malen en die molen zou dan
draaien op waterkracht.
3. Leonardo als volwassene
In 1476
kreeg Leonardo een eigen atelier. Leonardo
stond erom bekend dat hij vaak dingen niet afmaakte. Daardoor kreeg hij maar weinig opdrachten en hij verdiende
dan ook niet veel geld. Soms had
hij niet eens geld om verf te kopen. Van
zijn va-der kreeg Leonardo ook geen geld meer.
Op 8 april
1476 werd Leonardo beschuldigd van homoseksualiteit.
Hij zou een relatie hebben met Jacopo Saltarelli, een schildersmodel.
Door de hulp van Lorenzo de Me-dici, een machtige familie in Florence,
werd Leonardo vrijgesproken.
Leonardo’s
vader gaf hem dan wel geen geld meer, hij zorgde er wel voor dat Leo-nardo nog
een opdracht kreeg. Hij mocht een
schilderij maken voor de monniken van San Donato a Scopeto.
Dit schilderij heette “De Aanbidding der Wijzen”.
Ook hier begon Leonardo enthousiast aan, maar na een tijdje vond hij
het niet meer zo leuk. Hij
verdiende er ook niet veel geld mee. Lorenzo
de Medici redde Leonardo toen nog een keer.
Leonardo had namelijk ondertussen een zilveren lier gemaakt in de vorm
van een paardenhoofd. Lorenzo de
Medici vond die lier zo mooi dat hij de lier kocht voor Ludovico Sforza, de
hertog van Milaan. Bovendien
stuurde Lorenzo ook Leonardo naar Milaan.
Leonardo liet zijn schilderij “De Aanbidding der Wijzen” in de
steek en vertrok naar Milaan.
4. Leonardo’s reizen
In 1482
kwam Leonardo aan in Milaan. De
hertog van Milaan, Ludovico Sforza, gaf Leonardo de opdracht een standbeeld
voor hem te maken. Hij moest een
gigantisch beeld maken van een ruiter te paard.
Met deze opdracht was Leonardo 16 jaar bezig, maar ook dit beeld kwam
niet af. Er was wel een gipsen
exemplaar, maar dat is later gesneuveld.
Leonardo
was intussen druk bezig met allerlei andere dingen. Hij bestudeerde plan-ten, dieren en het menselijk lichaam
heel precies. Daarvan maakte hij
veel aanteke-ningen. Ook bedacht
hij allerlei militaire uitvindingen. Ludovico
Sforza interesseerde die ideeën echter niet.
In Milaan heeft Leonardo ook al schetsen gemaakt van enke-le
schilderijen, bijvoorbeeld van “Het Laatste Avondmaal”.
In 1499
werd Milaan, waar dus Sforza de baas was, aangevallen door Karel VIII.
Sforza moest vluchten. De
Fransen vonden de militaire plannen van Leonardo wel interessant, en ze wilden
dat Leonardo voor hen ging werken.
Maar
Leonardo ging liever op reis naar Venetië, waar hij de mooie gebouwen
bestu-deerde. Hij ging in 1502 werken voor Cesare Borgia als architect en
militair inge-nieur. Cesare
Borgia was de baas over vele kleine staatjes in Noord-Italië.
Leonardo moest de forten en kastelen in die staatjes gaan controleren.
Cesare Borgia was een gemene tiran.
Toen Borgia een vriend van Leonardo had vermoord, vertrok Leonar-do
weer naar Florence. Daar werkte Leonardo verder aan zijn schilderijen en aan zijn
eigen schilderstijl. In die tijd
schilderde hij de “Mona Lisa”. Ook
ging hij verder met zijn boek “De verhandeling over de schilderkunst”.
In 1506
ging Leonardo weer terug naar Milaan, waar hij toch voor de Franse koning
Karel VIII ging werken. Voor de
maarschalk Giacorno Trivulzio moest hij ook een ruiterstandbeeld maken, maar
ook dat beeld maakte Leonardo niet af. Toen
de Sfor-za’s in 1512 terugkeerden naar Milaan, moest Leonardo vluchten.
Leonardo
ging naar Rome, waar hij beschermd werd door Guiliano de Medici.
Hij mocht in een gedeelte van het Vaticaan wonen.
In Rome ontmoette Leonardo ande-re kunstenaars zoals Michelangelo en
Raphael. In deze tijd werd Leonardo ziek en kreeg hij een lichte beroerte.
Toch ging hij door met zijn werk en op 62-jarige leef-tijd maakte hij
zijn enige zelfportret, in roodkrijt (zie rechterhelft titelpagina).
5. Leonardo’s einde

In 1516
vroeg koning Frans I, de zoon van koning Karel VIII, of Leonardo in Frankrijk
kwam wonen. Leonardo mocht wonen
op kasteel Amboise in Cloux (zie plaatje).
Dat was vlak bij het kasteel van de koning zelf.
Koning
Frans I was een grote fan van Leonardo. De
koning vond het heerlijk om met hem te praten.
Koning Frans I vond dat er niemand op de wereld was die zoveel wist als
Leonardo, en dan niet alleen over schilderen, beeldhouwen en architectuur,
maar ook over muziek, filo-sofie enzovoort.
In
Frankrijk kreeg Leonardo nog een beroerte, waardoor zijn rechterarm verlamd
raakte. Gelukkig was Leonardo
linkshandig, zodat hij door kon gaan met het beden-ken van wetenschappelijke
uitvindingen, met schetsen en tekenen en met aanteke-ningen maken. Dat bleef hij doen tot aan zijn dood. Op 2 mei 1519 stierf Leonardo da Vinci, zonder ooit getrouwd
te zijn geweest en kinderen te hebben gehad.
Leonardo da Vinci, de kunstenaar
1.
Leonardo als schilder

Leonardo da
Vinci leefde tijdens de Renais-sance. In die tijd probeerden de schilders
al-les zo echt mogelijk te schilderen. Om er-voor te zorgen dat zijn
schilderijen zo echt mogelijk waren, bestudeerde Leonardo al-lerlei dingen
heel goed. Zo ontleedde hij lij-ken van mensen en dieren om te ontdekken hoe
hun lichamen precies in elkaar zaten. Daarvan maakte hij schetsen (zie
plaatje). Dingen die hij geleerd
had met andere stu-dies gebruikte hij ook in zijn schilderijen, bij-voorbeeld
hoe je een gebouw moest schil-deren. Leonardo
wilde altijd dat alles per-fect klopte.
Leonardo
had het schilderen geleerd van Andrea del Verrocchio. Samen hebben ze ook een
schilderij gemaakt, “De Doop van Christus”.
De voorste engel is door Leonar-do geschilderd en veel mensen vinden
dat Leonardo beter was dan zijn leermeester.
Van de
andere schilders uit die tijd trok Leonardo zich weinig aan. Hij schilderde op zijn eigen manier. Hij vond ook nieuwe technieken uit waardoor zijn schilderijen
nog echter leken. Zo bedacht hij
een manier om in een schilderij diepte te maken.
Daar-door leek het of bepaalde dingen op het schilderij verder weg
stonden dan andere. Het
schilderij zelf was dus wel gewoon plat, maar doordat Leonardo schuine lijnen
gebruikte en met licht en donker werkte, leek het net echt.
Deze techniek noemde hij perspectiefschilderen.
Een andere uitvinding van Leonardo in de schilderkunst was sfumato.
Bij sfumato worden de kleuren een beetje vermengd, waardoor je niet
meer goed kunt zien waar de ene kleur stopt en de andere kleur begint.
Leonardo
werd dan wel niet beďnvloed door andere kunstenaars (behalve dan door Andrea
del Verrocchio een beetje), er waren wel een paar schilders die Leonardo
volgden, bijvoorbeeld Raphael en Michelangelo.
Omdat
Leonardo zo precies werkte en eerst heel veel schetsen van alles maakte, zijn
er maar weinig echte schilderijen van hem.
Enkele schilderijen van Leonardo zullen hier besproken worden.
Het Laatste Avondmaal
Net als
veel kunstenaars in de Renaissance schilderde Leonardo da Vinci vaak
afbeel-dingen uit de Bijbel. Eén
van de meest bekende schilderijen is “Het Laatste Avond-maal”.
Dit fresco
(muurschildering) schilderde Leonardo voor de paters van het klooster van
Santa Maria della Grazie in Milaan (zie plaatje).
Het duurde
ongeveer drie jaar voordat deze muur-schildering klaar was. Voor dit fresco
maakte Leonardo eerst weer veel schetsen.
Eerst maakte hij een ont-werp van het hele schilderij. Leonardo zorgde
ervoor dat de opbouw heel precies was: Jezus in het midden met links en rechts
de apostelen in groepjes van drie.

Daarna
begon Leonardo van alle figuren losse schetsen te maken, waarbij hij
pro-beerde te berekenen hoe lang en hoe zwaar de mensen waren. Toen begon hij pas aan het echte schilderij.
De gezichten van Jezus en Judas maakte Leonardo het laatst.
Hij kon namelijk geen modellen vinden met goede gezichten.
Het Laatste
Avondmaal is door meerdere schilders geschilderd.
Meestal wordt Judas aan de zijkant gezet omdat hij Jezus zou verraden.
Bij Leonardo da Vinci is dat niet zo.
Hij zette Judas gewoon tussen de andere apostelen.
Volgens sommigen zegt dat iets over Leonardo zelf.
Men denkt namelijk dat Leonardo niet zo erg godsdienstig was en niet
alles geloofde wat de Katholieke Kerk zei.
Hij vond Judas een gewoon mens, net als iedereen, met goede en slechte
kanten, en daarom hoorde hij er ge-woon bij.
Natuurlijk is het niet zeker of Leonardo dit inderdaad zo heeft
bedoeld.
Helaas is
de muurschildering niet meer zo mooi als hij vroeger geweest is. Het kloos-ter
is namelijk een paar keer overstroomd, waardoor het schilderij beschadigd
werd. Het is toen wel
gerestaureerd (hersteld), maar dat is niet altijd even goed gebeurd.
Zo’n 50 jaar geleden heeft men het schilderij nog eens gerestaureerd
en toen is het veel beter gelukt.

Sint
Jan de Doper
Leonardo
da Vinci heeft nog enkele schilderijen ge-maakt die te maken hebben met de
Bijbel, bijvoor-beeld de “Maria Boodschap” waarop de engel te-gen Maria
zegt dat ze een zoon zal krijgen. Ook
het laatste schilderij van Leonardo da Vinci, name-lijk “Sint Jan de
Doper” heeft met de Bijbel te ma-ken.
De
opgetilde hand met de wijzende vinger is erg opvallend in dit schilderij. Volgens
sommigen be-tekent die wijzende vinger weer iets, namelijk dat Leonardo
iedereen wilde waarschuwen om goed op te letten en niet alles te geloven wat
de Katho-lieke Kerk zei. Ook hiervan is natuurlijk niet zeker of het echt zo
door Leonardo werd bedoeld.
“Sint Jan
de Doper” werd door Leonardo geschilderd toen hij voor de tweede keer in
Milaan was, tussen 1506 en 1513. Het
schilderij bleef eerst in het kasteel waar Leo-nardo stierf, in Cloux.
Lodewijk XIII gaf het cadeau aan Karel I van Engeland, maar het werd
later teruggekocht door Lodewijk XIV. Nu
hangt het schilderij in het Louvre in Parijs.
Mona Lisa
Leonardo
da Vinci is wereldberoemd ge-worden met zijn “Mona Lisa” (zie plaatje).
Dit schilderij hangt ook in het Louvre in Parijs.
In
1503 begon Leonardo aan dit meester-werk.
Vermoedelijk kreeg hij de opdracht van Franceso del Giacondo.
De dame op het schilderij is waarschijnlijk de vrouw van deze rijke man
uit Florence. Haar naam was Lisa;
vandaar de titel “Mona Lisa” (“mijn Lisa”).
Leonardo
werkte drie jaar aan het schilde-rij. Hij gaf het echter nooit aan zijn
op-drachtgever. Volgens sommigen omdat het niet af was, volgens anderen omdat
Leonardo het zelf zo mooi vond. Leonar-do
nam het schilderij mee naar Parijs in 1516. Het werd aan koning Frans I
ver-kocht voor zijn kasteel in Amboise. Het
schilderij werd nog een aantal keren ver-kocht en is zelfs eens gestolen
geworden. Ook is het schilderij
eens flink beschadigd doordat er zuur op werd gegooid.

Het
duurde jaren om het schilderij te restaureren.
Nu hangt het schilderij veilig achter kogelvrij glas in het Louvre.
Eigenlijk
was het schilderij groter dan het nu is.
Links en rechts ervan waren nog twee stukken, waardoor goed te zien was
dat de dame op een balkon zat. Op de ach-tergrond zie je een mooi landschap.
Leonardo heeft hierbij de techniek van sfumato gebruikt; dus de kleuren
lopen mooi in elkaar over.
Iedereen
die de “Mona Lisa” heeft gezien vindt haar glimlach raadselachtig.
Nie-mand weet wat die glimlach precies betekent.
Veel kunstenaars hebben al gepro-beerd die glimlach ook te schilderen.
Ook de ogen van de “Mona Lisa” zijn myste-rieus.
Volgens sommigen kijkt ze zo omdat ze tevreden en gelukkig is in haar
we-reld. Opvallend is dat de
“Mona Lisa” geen wimpers heeft. Leonardo
was die heus niet vergeten, maar in die tijd was het mode dat vrouwen hun
wimpers afschoren.
Verder is
het opvallend dat de “Mona Lisa” en het enige zelfportret van Leonardo da
Vinci op elkaar lijken. De opbouw
van de portretten is namelijk hetzelfde.
Je zou de linker- en rechterhelften van de twee schilderijen kunnen
verwisselen. Dat is te zien in
het plaatje op de titelpagina van dit werkstuk.
2.
Leonardo als beeldhouwer

In een
brief aan Ludovico Sforza schreef Leonardo dat hij veel plannen had om wapens
en andere oorlogs-machines te maken. Sforza vond die ideeën helemaal niet
interessant. Hij vond Leonardo alleen als kunstenaar belangrijk. Hij gaf
Leonardo de op-dracht om een ruiterstandbeeld te maken. Dat
standbeeld moest de va-der van Ludovico Sforza uitbeelden.
Leonardo
was een uitstekende ruiter en hij was dol op paarden.
Hij zou heel graag een bronzen beeld van een paard willen maken dat net
echt was.
Enthousiast
begon Leonardo aan de opdracht voor Ludovico Sforza.
Eerst ging hij paarden goed bestuderen: hoe ze eruit zien, hoe ze zich
bewe-gen, enzovoort. Daarvan
maakte hij veel schetsen (zie plaatje). Daarna
begon hij pas met het maken van een gipsmodel van het beeld.
Intussen
was Leonardo weer afgeleid doordat hij andere dingen ook leuk en belang-rijk
vond. Hierdoor is de opdracht van
Sforza dus nooit afgemaakt. Het
ruiterstand-beeld voor Sforza had 7 meter hoog moeten worden.
Er was alleen ooit een gipsen beeld maar dat is gesneuveld.
Toen
Leonardo da Vinci later voor de Fransen werkte, kreeg hij weer de opdracht om
een ruiterstandbeeld te maken. Dit beeld was ter ere van maarschalk Giacorno
Tri-vulzio, maar ook dit beeld kwam nooit af.
3.
Leonardo als schrijver
Leonardo da
Vinci bleef zijn hele leven leren en hij wilde andere mensen ook van al-les
leren. Dat zie je al een beetje in zijn schilderijen, maar dat deed hij ook
als
schrijver.
Leonardo schreef namelijk fabels. Een fabel is een kort verhaal en in dat
verhaal spelen dieren of dingen de hoofdrol. Ze gedragen zich als mensen en
kunnen in fabels ook praten. Een fabel heeft altijd een betekenis. De schrijver wil dat de lezer aan het eind van het verhaal er
iets van leert, bijvoorbeeld wat goed is en wat slecht. Leonardo wilde de
mensen met zijn fabels de ogen openen. Hij wilde ze laten zien wat er in hun
wereld en in de natuur om hen heen allemaal gebeurt.

De
fabels van Leonardo da Vinci zijn ook in het Nederlands vertaald en zijn nog
steeds te koop (zie plaatje). Een voorbeeld van een fa-bel van Leonardo is:
De
muis en de kat
Een muis werd in zijn
holletje belegerd door een wezel, die met ijzeren geduld op zijn kans
wacht-te. Wanhopig gluurde de muis naar het bloeddor-stige dier dat hem
opgesloten hield. Toen kwam een kat langs, die de wezel besprong en hem met
huid en haar opat. De muis dankte Jupiter voor zijn tussenkomst en offerde een
deel van zijn voedselvoorraad op aan de god. Daarna verliet hij zijn holletje
om van de herwonnen vrijheid te ge-nieten. Die was hij meteen weer kwijt, en
zijn le-ven ook, want buiten werd hij onmiddellijk door de begerige kat
gegrepen en verslonden.
In de tijd
van Leonardo da Vinci kon men niet alles zeggen wat men dacht.
Leonar-do heeft daarom waarschijnlijk vaak zijn mening verstopt in zijn
schilderijen. Daar-om schreef hij
vermoedelijk ook fabels. De mensen moesten dan zelf maar ontdek-ken wat Leonardo
bedoelde.
Leonardo
had een vreemd handschrift. Hij
was linkshandig. In die tijd was
dat heel ongewoon en vond men dat iets van de duivel.
Maar Leonardo’s handschrift was nog veel eigenaardiger. Hij schreef namelijk in spiegelschrift. Een voorbeeld hiervan kun je zien op de titelpagina van dit
werkstuk. Rechts staat de naam
van Leonardo zoals hij hem schreef; links zie je hoe die naam eruit ziet nadat
het gespiegeld is.
Waarom
Leonardo in spiegelschrift schreef, is niet precies bekend. Er zijn enkele verklaringen mogelijk. Volgens sommigen deed hij dat om het moeilijker te maken om
zijn aantekeningen te lezen. Op
die manier konden zijn ideeën niet zo snel ge-stolen worden. Een tweede reden
zou zijn dat Leonardo op die manier zijn ideeën probeerde te verstoppen. Hij
was misschien bang dat de Katholieke Kerk het niet met zijn mening eens zou
zijn. Anderen denken dat Leonardo in spiegelschrift schreef omdat hij
linkshandig was. Wanneer je namelijk met inkt schrijft als linkshandige, maak
je steeds vlekken wanneer je gewoon van links naar rechts schrijft. Door nu met inkt als linkshandige van rechts naar links te
schrijven, kon de inkt drogen en maakte je tijdens het schrijven geen vlekken.
Leonardo da
Vinci heeft niet alleen fabels geschreven.
Hij maakte constant overal aantekeningen van. Daarvan wilde hij een boek maken waarin hij
zou beschrijven hoe het menselijk lichaam in elkaar zat.
Dat boek, dat “Verhandeling over de schil-derkunst” zou gaan heten,
zouden andere kunstenaars dan kunnen gebruiken voor hun werk.
Net als veel andere dingen van Leonardo da Vinci is dit boek nooit
afge-maakt. De vele boekjes met
aantekeningen zijn wel overgebleven. Al
die boekjes samen zijn meer dan 3500 bladzijden.
Zo’n boekje noemt men een codex.
De eige-naar van Microsoft, Bill Gates, heeft pas $30 miljoen betaald
voor zo’n codex.
Leonardo da Vinci, de wetenschapper
1.
Leonardo als architect
Leonardo
da Vinci was niet alleen een be-roemde kunstenaar, maar ook een belang-rijke
wetenschapper. Hij hield zich met veel verschillende dingen bezig.
Zo bestu-deerde hij ook gebouwen.
Hij probeerde steeds om alles perfect te maken voor ie-dereen. Zo
bedacht hij eens een ideale stad (zie plaatje).
Leonardo was in Milaan toen daar de pest uitbrak. Om dit soort ziektes
te voorkomen bedacht Leonardo het plan voor de ideale stad.
Daarvoor
moesten de armen en de rijken gescheiden worden. De rijken zouden in de stad zelf blijven wonen en de armen
zouden in nieuwe wijken om de stad heen gaan wonen, op het platteland dus.
Leonardo wist toen al dat de pest veroorzaakt werd door afval en
vuilnis op straat. Daarom bedacht Leonardo een systeem om af-val kwijt te raken.
Daarvoor zouden heel veel kanalen gebouwd moeten worden in die stad.
Verder bedacht Leonardo hoe het verkeer zo goed mogelijk geregeld kon
worden. Hij ontwierp straten met
twee lagen. Rijtuigen zouden op
de onderste weg moeten rijden en voetgangers zouden kunnen lopen over de
bovenste weg.
Een
ander plan bedacht Leonardo tijdens zijn leertijd bij Andrea del Verrocchio.
Hij wilde de rivier de Arno ombouwen tot een soort kanaal.
Via dit kanaal kon men dan van Pisa naar Florence varen en terug.
2.
Leonardo als wapenkundige
Toen
Leonardo da Vinci ging werken voor Ludovico Sforza wilde hij eigenlijk al
wa-pens en andere oorlogsmiddelen gaan bedenken en maken.
Maar Sforza was daarin niet geďnteresseerd. Cesare Borgia vond Leonardo’s plannen wel interessant.
Leo-nardo ging voor hem werken als militair ingenieur.
In die tijd bedacht Leonardo al-lerlei dingen waardoor makkelijker
oorlog gevoerd kon worden. Zo
waren de kanon-nen in die tijd erg zwaar en dus moeilijk te verplaatsen.
Ook duurde het lang om die kanonnen opnieuw te laden. Daarom ontwierp Leonardo toen kanonnen met wieltjes en hij
vond een soort buskruit uit waarmee de kanonnen sneller opnieuw geladen konden
worden. Deze uitvinding werd 300
jaar na de dood van Leonardo da Vinci nog veel gebruikt in de Amerikaanse
burgeroorlogen. Dat bewijst dus
hoe knap deze uitvinding van Leonardo was.

Een andere
uitvinding van Leo-nardo om de vijand te verslaan was een reuzengrote
kruisboog (zie plaatje). Ook die
kruisboog had wielen zodat hij gemakkelijk verplaatst kon worden.
Ook bedacht Leonardo de aller-eerste tank.
Hij tekende een wa-gen die helemaal bedekt was met houten balken om de
mensen erin te beschermen. Deze
wagen had wielen om hem te kunnen ver-plaatsen en bovenin was een ope-ning om
te schieten.
Maar de
tekening van die tank laat zien dat Leonardo een fout had gemaakt. Wan-neer die tank gebouwd zou zijn, zouden de wielen de
verkeerde kant op draaien. Volgens sommigen was dit gewoon een foutje van
Leonardo; volgens anderen had hij dit met opzet verkeerd gedaan.
Waarom dacht men dat? Leonardo was eigenlijk tegen oorlog.
Hij had dus constant een probleem.
Aan de ene kant was hij zo slim dat hij oorlogswapens kon uitvinden;
aan de andere kant was hij tegen dingen waar-door mensen konden sterven.
De waarheid over deze fout van Leonardo zullen we wel nooit te weten
komen.
3.
Leonardo als luchtvaartpionier
Al
eeuwenlang wil de mens graag vlie-gen. De legende van Icarus en zijn vader
Daedalus is hiervan een voorbeeld. In
de middeleeuwen maakten sommige mensen vleugels aan hun armen en sprongen ze van hoge torens
naar beneden omdat ze dachten dat ze zo konden vliegen.
Dat werkte natuurlijk niet.
Ook
Leonardo da Vinci wilde een manier uitvinden om te kunnen vliegen. Hij
had vogels en hun vleugels goed bestudeerd.

Daarom wist
Leonardo al dat de mens met gewone vleugels nooit zou kunnen vlie-gen. Vogels
gebruiken namelijk 50% van hun spieren om te vliegen en dat kan een mens niet.
Daarom ontwierp hij een model met speciale vleugels. Die vleugels
had-den kleppen, die geopend zouden worden bij de start en gesloten bij de
landing. Dit ontwerp werd de
ornithopter (zie plaatje) genoemd. Tegenwoordig
worden dit soort kleppen gebruikt bij moderne vliegtuigen. Leonardo’s uitvinding was dus eigenlijk toch heel knap.
Het ontwerp
van de ornithopter is nooit uitgeprobeerd.
Later bleek dat deze uitvin-ding van Leonardo nooit had kunnen werken
omdat het meer dan 300 kilo zou we-gen. Zonder
motor was dit voor een mens dus niet te doen.

Leonardo
da Vinci snapte toen al dat het heel moeilijk zou zijn om te vliegen met
vleugels. Daarom be-dacht hij een nieuw ontwerp. Hij noemde deze uitvinding de
vliegen-de schroef (zie tekening). Dit
mo-del zou de lucht in kunnen gaan doordat de schroef aan de boven-kant rond
zou draaien. Dit was dus de
voorloper van de helikopter. Ook
de vliegende schroef van Leo-nardo werd nooit echt gebouwd.
Net als de
ornithopter zou de vliegende schroef bovendien in het echt niet hebben
gewerkt. Het grootste probleem
met de vliegtuigen van Leonardo was dat ze geen motor hadden.
Met motor was het misschien wel gelukt.
Waarschijnlijk heeft de uit-vinder van de echte helikopter, Igor
Sikorsky, wél de plannen van Leonardo gebruikt voor zijn ontwerp.
Leonardo da
Vinci was ook de uitvinder van de parachute.
In één van zijn boekjes met aantekeningen staat een ontwerp van een
parachute. Leonardo had een groot
stuk linnen stof getekend, dat gevouwen moest worden als een soort tent.
Deze tent moest ervoor zorgen dat iemand van een hoge berg af zou
kunnen springen zonder gewond te raken.
4.
Leonardo als natuurkundige
Leonardo
da Vinci wilde altijd dat zijn schilderijen precies klopten.
Daarom bestu-deerde hij alles eerst heel goed. Hij maakte veel schetsen
van planten en dieren.
Leonardo
da Vinci hield heel veel van dieren. Daarom
was hij vegetariër. In die tijd
was dat heel bijzonder. Men vond
vlees namelijk veel belangrijker dan groente. Omdat Leonardo zoveel van dieren hield, vond hij het erg dat
ze opgesloten zaten of opgegeten werden.
Soms kocht hij op de vogelmarkt een duif om ze daarna vrij te laten.
Leonardo
da Vinci maakte ook studies van mensen om er zo voor te zorgen dat zijn
tekeningen goed waren. Hij ging
vaak naar een ziekenhuis in Florence om met oude mensen te praten en ze te
bestuderen. Soms sneed hij na hun
dood hun lijk open om de spieren en zenuwen goed te kunnen bestuderen.
Zo maakte Leonardo schet-sen van schedels en van het zenuwstelsel.
Ook bestudeerde hij zwangere vrouwen.
Hij wilde namelijk precies weten hoe een baby in de buik zat zodat hij
dat goed kon tekenen. Die
tekeningen zijn zo goed dat ze erg lijken op de tekeningen die nu in medische
boeken staan.
Leonardo
da Vinci wilde niet alleen dat alles klopte maar wilde ook dat alles in
even-wicht was. Dit zie je
bijvoorbeeld aan de portretten van zichzelf en van de “Mona Lisa”.
Die zijn bijna symmetrisch. Ook
in andere schilderijen zie je zo’n gelijke op-bouw, bijvoorbeeld in “Het
Laatste Avondmaal”.

Leonardo
da Vinci wilde steeds dat alles perfect was.
Hij dacht niet alleen dat er een ideale stad zou kunnen bestaan, maar
ook dat de ideale mens met wiskundige formules berekend zou kunnen worden.
Dit idee is niet van Leo-nardo zelf, maar is bedacht door Vitruvius.
Volgens
Vitruvius is de navel van de mens het middelpunt. Wanneer je een cirkel maakt van-uit de navel van een mens die
zijn armen en benen strekt, dan zou die cirkel precies langs de vingers en de
tenen lopen. Ook met een vierkant kan de ideale mens gemeten worden.
Wanneer een mens rechtop staat en de armen opzij uitstrekt, dan kan men
er een vierkant om heen maken. De
lengte van de man is namelijk hetzelfde als de breedte van de uitgestrekte
ar-men (zie plaatje). Leonardo
heeft deze wet van Vitruvius gebruikt bij zijn schilderijen.
5.
Leonardo als uitvinder
Dat
Leonardo da Vinci een grote uitvinder was, is te zien in de vorige stukken van
dit hoofdstuk. Daar wordt
beschreven dat Leonardo de vliegende schroef (de eerste he-likopter dus), de
parachute, een reuzenkruisboog, een tank en nog veel meer heeft uitgevonden.
Maar Leonardo bedacht nog veel meer.
Hij vond ook speciale werktui-gen uit zoals hijskranen en takels.
Leonardo da
Vinci wilde eigenlijk iets uitvinden dat vanzelf zou bewegen. Deze uit-vinding zou dan een “automobile” zijn.
Dit is Latijns en “auto” betekent “zelf” en “mobile”
betekent “bewegen”. Een groot
probleem voor Leonardo als uitvinder was dat er nog geen motor bestond. Al
zijn apparaten moesten dus bediend worden door mensen.
In die tijd werd alleen water gebruikt om dingen te bewegen.
Leo-nardo probeerde dan ook van alles uit met water.
Hij wilde water niet alleen gewoon vloeibaar gebruiken, maar ook als
stoom of als ijs. In die tijd
bedacht hij van alles wat met water te maken had. Zo bedacht hij een nieuw
soort waterpomp en een ka-non dat op stoom werkte.
In zijn aantekeningen zijn ook schetsen gevonden van een soort
waterschoenen waarmee op het water gelopen zou kunnen worden en van een soort
zwemband of reddingsboei. Hij
bedacht apparaten om onder water andere schepen aan te vallen om ze te laten
zinken. Verder ontwierp hij een
schip met twee lagen waardoor het onzinkbaar was.
Ook bedacht hij een soort helm om onder wa-ter mee te kunnen ademen.
Deze uitvinding heeft Leonardo geheim gehouden.
Hij was namelijk bang dat mensen deze uitvinding zouden gebruiken om
oorlog te voe-ren. Omdat Leonardo
tegen oorlog was, verborg hij dit plan.
Leonardo
was zo slim om verschillende dingen te combineren.
Tandwielen waren al bedacht. Door
nu het ene wiel te laten draaien met waterkracht, gingen de volgende wielen
ook draaien en zo kon een apparaat werken.
Waarschijnlijk
heeft Leonardo da Vinci toen ook al een idee gekre-gen voor een voertuig dat
op onze fiets lijkt. Het is niet
helemaal ze-ker wat Leonardo precies bedacht heeft.
In ieder geval is ongeveer 40 jaar geleden in een codex van Leonardo
een tekening ontdekt van een fiets (zie plaatje).
Men weet bijna zeker dat dit plaatje niet door Leonardo is gemaakt.
Waarschijn-lijk heeft Leonardo wel iets bedacht wat hierop lijkt.
De
echte schets van Leonardo is kwijt. Het
plaatje dat in de codex is gevonden is vermoedelijk door leerlingen van
Leonardo later nagetekend. Weer
later zijn waar-schijnlijk de ketting en zo erbij getekend. Toch is het knap dat Leonardo al zoveel jaar geleden iets
bedacht heeft dat het begin van onze fiets is geweest.
Hij was dus een fantastische uitvinder.
Eigen mening
Leonardo da
Vinci wilde alles weten en kunnen en alles wat hij maakte moest perfect zijn.
Hij was vermoedelijk in zijn tijd niet erg gelukkig.
Hij was namelijk ontzettend slim en kon moeilijke dingen
bedenken, maar hij was niet altijd blij met zijn uitvindin-gen. Hij moest kiezen tussen zijn slimheid en wat hij goed of
slecht vond. Hij was bijvoorbeeld
zo knap om allerlei oorlogswapens te bedenken, maar hij was eigenlijk tegen
oorlog.
Leonardo
was misschien ook tegen de Katholieke Kerk.
Dit lijkt raar, want Leonardo heeft veel schilderijen gemaakt van
dingen uit de Bijbel. Maar dat
deden toen bijna alle schilders. Dat
Leonardo het niet helemaal eens was met de ideeën van de Ka-tholieke Kerk kun
je volgens sommige mensen zien in kleine dingen van zijn schilde-rijen.
Bijvoorbeeld in het schilderij “Sint Jan de Doper”, die naar boven
wijst. Vol-gens sommige mensen
deed Leonardo dit om te waarschuwen dat je niet alles moest geloven wat de
Katholieke Kerk zei. In die tijd
kon je niet gewoon zeggen dat je het ergens niet mee eens was en dat zal soms
best moeilijk zijn geweest.
Leonardo
was bovendien een beetje apart in die tijd.
Hij was linkshandig en dat vond men toen iets van de duivel.
Bovendien was hij vegetariër. Verder
was Leo-nardo misschien homofiel, maar dat weten we niet zeker.
Als hij het wel was, zal dat vast moeilijk zijn geweest want zoiets kon
je toen niet vertellen.
Leonardo
zal bovendien niet erg gelukkig zijn geweest omdat men hem niet waar-deerde.
Alleen als beeldhouwer en schilder vond men hem goed.
Men vond het toen wel niet leuk dat hij zijn kunstwerken vaak niet
afmaakte. Zijn uitvindingen en andere plannen vond men toen maar onzin.
Nu wordt
Leonardo da Vinci als kunstenaar erg gewaardeerd. Veel mensen gaan bij-voorbeeld naar het Louvre in Parijs om
zijn schilderijen te bewonderen. In
1952, 500 jaar na de geboorte van Leonardo, werd er in Vinci ter ere van hem
een museum ge-opend.

Ook
de uitvindingen van Leonardo da Vinci worden nu steeds meer gewaardeerd. In
Leonardo’s tijd ge-loofde men zijn ideeën over vliegen niet, maar nu
blijken die best te kloppen! Daarom
is er in Rome in 1960 een vliegveld naar Leonardo da Vinci genoemd met een
standbeeld van hem ervoor (zie foto).
Er
is zelfs een opleidingsprogramma naar Leonardo da Vinci genoemd.
Dit programma is voor studenten die naar het buitenland gaan om te
leren. Dit pro-gramma is naar
Leonardo genoemd omdat hij steeds wilde blijven leren.
Men hoopt dat deze studenten net als Leonardo blijven leren.
Leonardo da
Vinci was dus een echt genie. Volgens
de website van BNN had hij een IQ van 220!
Leonardo da Vinci was dus superslim en zag ze zeker niet vliegen!
Literatuurlijst
Berg, A. van den (2003).
Biografie Kunstgeschiedenis:
Leonardo da Vinci. Opge-haald
op 19-01-2003 van http://huiswerk.scholieren.com/werkstukken/view.
php3?id=2996.
Gids: Het “Leonardo da Vinci”-programma.
Opgehaald op 14-01-2003 van http:// citizens.eu.int/nl/nl/gf/st/at/gi/45/giitem.htm.
Grosfeld, F. (1968).
Leonardo da Vinci. De groten
van alle tijden. Amsterdam: De
Geďllustreerde Pers.
Hoe blijft een helikopter in de lucht?
Zo zit dat, januari 2003, p.
18-21.
Impeachment. Opgehaald
op 19-01-2003 van http://www.kausal.com/leonardo/prin-
terfriendly/denunciation.html.
Kunstbeeld Renaissance. Opgehaald op 23-10-2002 van
http://www.kunstbeeld.com/
kunstgeschiedenis/renaissance/da_vinci.htm.
Leonardo da Vinci.
Opgehaald op 13-01-2003 van http://mediatheek.thinkquest.nl/ ~jra023/geschiedenis/legende.htm.
Leonardo da Vinci.
Opgehaald op 19-01-2003 van http://www.kunstbus.nl/verklarin-
gen/leonardo+da+vinci.html.
Leonardo da Vinci.
Opgehaald op 02-02-2003 van http://www.geocities.com/
kunstweb/kunstenaar.html.
Leonardo da Vinci.
Biografie. Opgehaald op
23-10-2002 van http://www.geocities.
com/kunstweb/biografie.html.
Leonardo da Vinci. Biografie. Opgehaald op 23-10-2002 van http://www.amerigo.nl/
biografie/davinci/9050185789.html.
Leonardo da Vinci.
Renaissance man. Opgehaald
op 19-01-2003 van http://www.
mos.org/Leonardo/inventor.html.
Leonardo~Right to left.
Opgehaald op 23-10-2002 van http://www.mos.org/sln/Leo-nardo/LeonardoRighttoLeft.html.
MacDonald, F.
(1997). De wereld in de tijd van Leonardo da Vinci. Harmelen: Coro-na.
Metro, Kunst.
Da Vinci’s moeder was een slavin.
Metro, 23 september 2002, p.
14.
Mona Lisa del Giaconda.
Opgehaald op 19-01-2003 van http://www.kausal.com/leo-nardo/printerfriendly/monalisa1.html.
Mysterieuze wereld.
Opgehaald op 23-10-2002 van http://home.planet.nl/~cvdp/
brein/vinci/vinci1.htm.
On the
question of Leonardo’s “Bicycle”. Opgehaald
op 19-01-2003 van http://www.
kausal.com/leonardo/printerfriendly/bicycle.html.
Raboff,
E. (1980).
Leonardo da Vinci.
Kunst voor jou.
Haarlem: Gottmer.
Short history of flight. Opgehaald op 19-01-2003
van http://history.nasa.gov/SP-367/
chapt1.htm.
Website BNN. Opgehaald
op 17-01-2003 van http://www2.omroep.nl/bnn/denatio-naletest/facts.html.