|
|


kijk ook eens op de website van 1-1-2
voor Cystic Fibrosis
Werkstuk voor de basisschool groep 6-7-8
Betekenis
van het woord ambulance
Het
ontstaan van de ambulance in Nederland
Soorten
ambulance’s in Nederland
Het woord ambulance betekent:
1 wagen voor het vervoer van zieken en gewonden
2 verplaatsbaar veldhospitaal
3 dienst voor het vervoer en de eerste verpleging van oorlogsgewonden
Vroeger gebruikten de mensen het woord ZIEKENWAGEN. Tegenwoordig wordt meer en meer het woord ambulance gebruikt. Dit woord komt uit Amerika
Veel vaker dan nu, werden mensen vroeger heel erg ziek. Maar ook tijdens de oorlogen raakten mensen vaak gewond. Al deze mensen moesten natuurlijk naar de doktor toe of naar het ziekenhuis.
Je kunt je voorstellen dat het er vroeger heel anders aan toe ging dan nu. Tot ongeveer 1900 waren er bijna geen auto’s in Nederland. De mensen die ziek of gewond waren moesten erg lang wachten op de dokter. Vooral de boeren en soldaten in het veld. Die mensen werden dan vaak op een plank gelegd. Met een paard werd de plant over de grond gesleept. Dat was echt geen pretje. De mensen die ziek of gewond waren hadden daardoor heel erg veel pijn.
Enige tijd later werd de rader-brancard uitgevonden. Dat is een soort grote plant, maar dan op twee houten wielen. Deze werd geduwd door iemand anders of getrokken door een paard. Dat was al een hele verbetering. Ook in de tweede wereldoorlog werden er nog veel mensen zo naar het ziekenhuis gebracht. Door weer en wind, zon of regen, lag men voor iedereen zichtbaar. Daar kwam ongeveer in 1905 verandering in. Het eerste overdekte ziekenrijtuig werd gebruikt. Dat was al weer een hele verbetering.
Pas in 1906 kwam de eerste “echte” ziekenwagen in Nederland. Natuurlijk waren die nog lang niet zo modern als wij ze nu kennen. Een wagen met houten wielen die over hobbelige wegen reed. Dat is toch niet echt prettig. Wel ging het allemaal weer wat vlugger.
Met het personeel was het al niet veel beter. Iedereen kon eigenlijk iemand naar het ziekhuis brengen. Vaak was dat vroeger de veldwachter of een agent. De mensen uit het leger werden brancardiers genoemd. Tot ongeveer de 70-er jaren kon bijna iedereen werken bij een ambulancedienst. Na die tijd moest je toch wel echt een EHBO diploma hebben of verpleegkundige zijn. Voor de chauffeur waren er nog geen eisen, behalve dat deze een rijbewijs moest hebben. Die tijd wordt ook wel het “van Gent en Loos tijdperk genoemd. Pak je pakketje (de patiënt) maar op, wegwezen en afleveren bij het ziekenhuis. Pas na die tijd zitten er mensen op een ambulance die een goede opleiding hebben gehad.
Met de komst van de auto’s werd het natuurlijk allemaal een stuk moderner. Hoewel het in het begin nog flink behelpen was. De eerste ambulance’s waren niet meer dan auto’s met een brancard erin. Zo kon de patiënt in ieder geval op een redelijke manier naar het ziekenhuis worden gebracht. Een tijdje later kwamen er een aantal zaken bij, zoals zuurstof en spalken voor gebroken benen en armen.
In de loop der jaren is de ambulance en zeer moderne auto geworden met de meest moderne apparatuur, medicijnen en allerlei andere zaken.
Elk merk auto kan een ambulance maken. In Nederland (en eigenlijk in de hele wereld) zijn er 3 soorten ambulance’s:
Natuurlijk duurt het een tijdje voor een ambulance bij de ambulancedienst staat. Eerst wordt er aan de binnenkant heel veel verbouwd. De vering en motor moeten worden aangepast en hij wordt gespoten en voorzien van stickers. Een ambulance kost al gauw € 80.000,= zonder de spullen die er in komen. Helemaal compleet kost een ambulance gemiddeld tussen de € 125.000,= en € 150.000,=
Elke ambulancedienst bepaald zelf welk soort ambulance zij willen hebben.
Tot voor kort zagen bijna alle ambulance’s in Nederland er anders uit. De meeste waren wit van kleur maar hadden hun eigen strepen en andere stickers.
De laatste jaren zijn bijna alle ambulance’s geel van kleur en hebben ze de SOVAM striping. Het doel daarvan is dat de ambulance als zodanig herkenbaar is. Zoals elke politiewagen wit is, elke brandweerwagen rood is, worden alle ambulance’s geel.
Natuurlijk heeft een ambulance blauwe lampen. Dit kan een zwaaibalk aan de voorkant zijn of twee (soms drie) bolle lampen op het dak. Vaak zijn er aan de zij en achterkant en in de grill ook blauwe lampen te zien. Het doel van de blauwe lampen is om aan te geven dat, als ze aan zijn, de ambulance met spoed onderweg is. In de wet wordt de ambulance dan een voorrangsvoertuig genoemd. Daarom moet je ook altijd een ambulance die de blauwe lampen aanheeft voor laten gaan. Natuurlijk hebben ze dan ook de sirene aan.
Boven op het dak zie je vaak een groene lamp staan. Bij sommige ambulance’s wordt die er los opgezet. Deze groene lamp heeft een belangrijke functie. Deze lamp wordt aangezet door de ambulance die als eerste bij een groot ongeluk komt. Daar moeten dan nog meer ambulance’s naar toe komen. De eerste ambulance weet wat er aan de hand is en heeft daarom de leiding (is de baas bij het ongeluk). Iedereen kan aan de groene lamp dan zien bij wie ze zich moeten melden. De mensen van de eerste ambulance hebben dan ook een groen vest aangetrokken. Ook daar kun je ze aan herkennen
Natuurlijk staan er groot AMBULANCE op de voertuigen. Ook moet er een 6 kantig kruis op de ambulance zijn geplakt. Die wordt de “Star of Live” genoemd. Ook kun je op de ambulance lezen uit welke plaats hij komt en staat er een wagennummer op. Dit wagennummer staat ook heel groot op het dak. Zo kan bijvoorbeeld een helikopter van de politie of de trauma helikopter de ambulance vinden of helpen met de weg wijzen
Sinds 1998 dragen de mensen op de ambulance allemaal dezelfde kleur kleding. Zo zijn ook zij goed herkenbaar. De overall of broek en shirt zijn groen en geel van kleur. Achterop staat het woord “ambulance”. Op de mouwen vindt je vaak een badge van de ambulancedienst waarvoor zij werken. De kleding is voorzien van reflecterende strepen. Dit is gedaan voor de veiligheid. Wanneer zij in het donker aan het werk zijn kun je ze goed zien als er licht op schijnt.

Op een ambulance werken altijd twee mensen
Zij hebben allebei hun eigen taken, maar werken ook altijd samen.
De ambulance verpleegkundige is eindverantwoordelijk voor de patiënt en de medische hulpmiddelen op de ambulance. Elke dag wordt alles nagekeken. Zijn alle medicijnen er, doet alle apparatuur het en nog veel meer. Hij of zij moet goed kunnen bekijken wat iemand mankeert en daar wat aan doen. Medicijnen geven, een infuus geven, problemen oplossen als iemand problemen heeft met het hart. Eigenlijk bijna alles wat ze in het ziekenhuis doen, kan de ambulance verpleegkundige ook. Ook helpt hij de chauffeur bij het lezen van de kaart als de chauffeur niet precies de weg weet.
De ambulance verpleegkundige is iemand die eerst de opleiding in het ziekenhuis heeft gedaan.

De ambulance chauffeur is eindverantwoordelijk voor de ambulance en in het verkeer. Elke dag wordt de ambulance helemaal gecontroleerd of alles het doet. Verlichting, de zwaailampen en de sirene, is de tank goed vol en al dat soort dingen. Hij of zij bepaald via welke weg er wordt gereden en stuurt de ambulance, soms met spoed, door het verkeer. De ambulance chauffeur helpt de ambulance verpleegkundige bij de patiënt. Hij of zij maakt de medicijnen en infusen klaar en helpt natuurlijk ook bij hartmassage.
De ambulance chauffeur moet ook goed weten of er in zijn stad aan de weg wordt gewerkt zodat hij eventueel een andere weg kan kiezen.
De ambulance chauffeur is iemand met een EHBO diploma en een rijbewijs. Het is goed om een medische achtergrond te hebben. Sommige chauffeurs zijn ook brandweerman (geweest).
In een ambulance zitten heel veel spullen. Met al die spullen kan de ambulancebemanning iemand helpen die in nood zit. Voor bijna elke klus hebben ze wel wat. Bijna elke klus, dus niet voor alles en dan moeten ze improviseren. Zelf iets bedenken.
Het meest bekend is de brancard. Dat is het bed waarmee ze de mensen in de ambulance rijden. De brancard is in hoogte verstelbaar, zodat ze de mensen niet altijd hoog hoeven op te tillen.
Heel belangrijk is de grote koffer (soms een tas). Hierin zitten allerlei belangrijke medicijnen in, naalden en spuiten. Ook een bloeddrukmeter en een apparaat om te kijken hoeveel suiker iemand in het bloed heeft en nog veel meer. Zo’n koffer weegt al snel 15 kilo.
Dan zijn er nog de grote apparaten zoals de hartmonitor, een uitzuigapparaat een machine om iemand te helpen met ademen.
In de ambulance liggen ook allerlei spaken voor gebroken benen en armen, nekkragen voor iemand die na een ongeluk pijn in de nek heeft.
Voor de veiligheid van de ambulancebemanning zijn er ook regenjassen en valhelmen in de ambulance. Deze doen ze op wanneer ze naar iets toegaan waar spullen op hun hoofd kunnen vallen en bij een ongeluk waarbij de brandweer moet knippen aan een auto.


Zoals je ziet zit er nogal wat in zo’n ambulance. Het is heel erg belangrijk dat de ambulancebemanning elke dag de ambulance goed controleert of alles aanwezig is. Als ze dat goed doen, hebben ze altijd alles bij zich.
Natuurlijk dragen ze niet alles in één keer mee. Als het kan leggen ze de spullen die ze nodig hebben op de brancard en nemen dat dan zo mee naar binnen. Als ze dan nog iets nodig hebben loopt er wel iemand van hun naar de auto toe en haalt het dan op. Wanneer ze weer naar de ambulance gaan met al die spullen, vragen ze wel eens aan iemand die staat te kijken of die even wil meehelpen. Mensen vinden dat vaak wel leuk.

Zo kan een koffer er van binnen uitzien. Zoals je ziet zit er wel heel erg veel in. Zo vind je in de koffer:
De cabine (de voorkant) van de ambulance is bijna hetzelfde als een gewone auto. De stoelen, het stuur en het dashboard. Toch zijn er voorin dingen te vinden die een andere auto niet heeft. Dat zijn al die schakelaars. Deze zie je vaak ingebouwd vlak onder het dak, of in het midden van de auto.
Al die schakelaars zijn bedoeld om zwaailampen, de zijlampen, de sirene en al dat soort dingen aan en uit te zetten.
Dan is er ook nog de mobilofoon. Dit is een soort radio waarmee de mensen van de ambulance met de centrale of met andere ambulance’s kunnen praten. Als ze onderweg zijn naar een ongeluk of naar het ziekenhuis, kunnen ze dus ook allerlei informatie krijgen en geven via de mobilofoon. Dit kunnen ze ook doen als ze niet in de auto zijn. Dan gebruiken ze de portofoon.
Om de weg goed te kunnen vinden zijn veel ambulances in Nederland uitgerust met een navigatiesysteem. Dit hebben ze nog niet allemaal. Wel heeft elke ambulance wegenkaarten van de omgeving waar zij werken. Hierop staat elke straat. Natuurlijk hebben ze ook kaarten van heel Nederland, maar daar staan niet alle straten in. Het komt wel eens voor dat ze iemand naar een andere stad moeten brengen. Dan gebruiken ze weer de mobilofoon om aan de ambulancedienst in die stad de weg te vragen.
Natuurlijk is het niet altijd licht als de ambulance mensen werken. Vaak is het donker of werken ze op slecht verlichte plekken. Daarom heeft elke ambulance een grote zaklantaarn.
Dan liggen er ook nog vaak bossen met sleutels in de cabine. Die sleutels zijn nodig voor allerlei paaltjes, parkeergarages en dat soort dingen. Natuurlijk weet de bemanning niet direct welke sleutel voor welk slot is. Het kan dus even duren voor ze de goede sleutel te pakken hebben
Natuurlijk is een ambulance vaak op de weg. Je zult er vast wel eens één hebben zien rijden. Hoe gaat dat nou in zijn werk. Hoe weten ze nou waar al die 650 ambulances rijden
Als er een ambulance nodig is, wordt deze gevraagd bij een CPA. Dit is de Centrale Post Ambulance. Een alarmcentrale waarvan er 25 in Nederland zijn. Elk gebied in Nederland heeft een eigen CPA en dus ook zijn eigen ambulances. De mensen die daar werken sturen de ambulances de weg op. Als je 112 belt en vraagt om de ambulance, krijg je deze mensen aan de telefoon.
Gelukkig rijdt een ambulance niet altijd met spoed. Dat doen ze alleen als er gevaar dreigt. Je ziet ze meestal rijden zonder de zwaailichten en de sirene aan.
Bij de ambulancediensten kennen ze 3 soorten ritten